Weidevogels in Nederland

Weidevogels in Nederland

Nederland speelt een belangrijke rol in de ecologie van veel Europese weidevogels. De grutto bijvoorbeeld, is een oer-Nederlandse vogel; nergens in de wereld broeden ze zoveel als in Nederland. Zoals iedereen waarschijnlijk wel weet gaan de weidevogels achteruit. De redenen voor deze achteruitgang lopen uiteen van een toegenomen predatiedruk door o.a.: vos, marters en kraai en de omzetting van kleinschalige (vochtige) agrarische gronden tot geïndustrialiseerde monocultuur aan eiwitrijke gewassen zonder ecologische waarde. Des te belangrijker wordt het om de bestaande populaties te monitoren. Tot de primaire weidevogels rekent men doorgaans de steltlopers: kievit, scholekster, grutto, tureluur, wulp, kemphaan en watersnip. De laatste twee zijn echter nagenoeg verdwenen uit de weilanden. 

Enkele eendsoorten broeden eveneens voornamelijk op grasland: zomertaling en kuifeend. Daarnaast zijn enkele zangvogels ook nog regelmatig te zien en te horen op het weiland: veldleeuwerig, graspieper en gele kwikstaart. Tot de secundaire weidevogels rekent men de groep vogels die vaker in andere landschappen broeden dan in het weiland, zoals de veelvoorkomende wilde eend en meerkoet. Andere secundaire weidevogels zijn: slobeend, krakeend, bergeend, wintertaling, bontbekplevier, kleine plevier, kluut, visdief, kwartelkoning, paapje en grauwe gors. Ook de zwarte stern is tot op zekere hoogte een weidevogel, alhoewel deze zelden tot broeden komt op het weiland. Hieronder een lijst met soorten die je tegen kunt komen op de Nederlandse weides en daar om heen. 

Veldleeuwerik

Kleine zangvogel gekenmerkt door lange zangvluchten tot op grote hoogten. Imiteert ook andere zangvogels. In vlucht vallen de smalle witte vleugelachterrand en witte staartzijden op. Broedt vanaf eind maart, meestal 2 tot 3 legsels per jaar. Nest bevindt zich op de grond in open terrein. In de winter eten ze granen en zaden, tijdens het broedseizoen zoeken ze op de grond naar insecten.

Graspieper

De meest algemene piepersoort in Nederland. Makkelijker te determineren op geluid dan op zicht. Broedt men name in open landschap, steeds minder in graslanden. Talrijke doortrekker, schaars in winter. Broedt vanaf maart tot in augustus. Dun snaveltje, flanken sterk gestreept, geen oogstreep, opvallende oogring. Zang vaak in zangvlucht, een hoge reeks aflopende tonen. Voedsel: insecten, spinnen en andere kleinere geleedpotigen.

Rietzanger

Beweeglijke vogel en niet schuw. laat zich graag zien tijdens zang. Geelbruin verenkleed met opvallende wenkbrauwstreep en donker gestreepte kop en rug. Borst, flanken en stuit niet gestreept. Wilde zang vol met imitaties, zeer krassend. Vanaf begin mei de hele dag te horen. Tijdens broedseizoen verstomd zang.

Kleine karekiet

Zeer schuwe vogel, vaak verscholen in het riet. Egaal, gelige vogle met bruin van boven en vuilwit van onder. Relatief lange snavel onderscheid hem van de bosrietzanger. Zang kenmerkt zich de niet gevarieerde, ritmische 'krrr-krrr-kiet-kiet-kiet'. Veel voorkomender dan de grote karekiet.

Gele kwikstaart

Gele kwikken wippen met de staart, regelmatig met felle schokken op en neer. Ze hebben de voorkeur voor open landbouwgebieden. Onmiskenbare vogel met mooie lange staart en duidelijke zang. Broedt vanaf eind april tot in juli.

Witte kwikstaart

Witte kwikken wippen eveneens met de staartpennen. Eén van de meest algemene broedvogels van Nederland. Ze komen voor van uitgestrekte weilanden tot in het stedelijk gebied. Broedt van april tot augustus.

Paapje

Paapjes broeden in kruidrijke, open graslanden, waar ze op de grond een nest bouwen. Ze speuren de omgeving af vanaf een 'uitkijkpunt', vaak een paaltje of prikkeldraad. Ze broeden vanaf april tot juni. Wat opvalt is de duidelijk bijna witte wenkbrauwstreep. Verschil met RoBoTap is de witte staartbasis.

Grauwe gors

Deze grote gors valt op met zijn zwaar lichaam en grote kop, maar is onopvallend bruin getekend. Wat opvalt is de lichte oogring en rozegele snavel. Grotendeels een standvogel. Zang is kenmerkend door 'rammelende sleutelbos'.

Grutto

Onmiskenbare weidevogel. Gekenmerkt door de roep 'Gruttoooo, gruttoooo'. Grote, slanke steltloper met lange poten. Rechte snavel. Kan al vanaf eind maart broeden, tot en met eind mei. Zoekt in de bodem naar voedsel.

Kievit

Eveneens niet te missen Nederlandse weidevogel. Laat zich makkelijk herkennen door mooie balts- en verdedigingsvluchten. Geluiden typeren het weidelandschap. Broedt vanaf begin maart tot en met juni.

Tureluur

Middelgrote bruine steltloper, gekenmerkt door zijn rode poten en duidelijk roep: 'tjulululuuu'. Vanaf april wordt er gebroed. Met name te vinden in natte, kruidenrijke, laat gemaaide kwelders met sloten.

Wulp

De grootste Nederlandse steltloper. Duidelijk is de sterk omlaag gebogen - "Wulp wijst naar zijn Gulp" - lange snavel. Groeter en lichter dan regenwulp, met vrijwel witte ondervleugels. Roep een tweeletergrepige 'koer-líe'. Broedt vanaf eind maart.

Scholekster

Stevig gebouwde steltloper. Te vinden van desolate weidegronden tot hevig versteende industriegebieden. Broedt vanaf half april tot eind juni op de grond, maar ook op grinddaken.

Watersnip

Een ontzettend zeldzame weidevogel. Vaak alleen nog maar tijdens doortrek te zien in Nederland. Vertrouwt - net als andere snippen - bij verstoring lang op zijn schutkleur, en kan voor je voeten weg 'schieten'. Blatend geluid, tijdens balts 'mechanisch'.

Bontbekplevier

Pionier van open, zandige en slikkige plaatsen. Geen echte algemene weidevogel. Zeldzame broedvogel, algemene doortrekker. Komt vaker voor in zoutere milieus, in tegenstelling tot zijn kleine broertje. Roept zacht fluitend 'tjoe-wíe'. Komt eventueel vanaf maart tot broeden.

Kleine plevier

Eveneens een uitgesproken pionierssoort. Vestigt zich snel op tijdelijk geschikte plekken zoals: afgravingen, bouwplaatsen, opspuitingen en grindgaten. Verschilt met de bontbek qua snavel (geel/oranje bij bontbek), gele oogring (afwezig bij bontbek).

Slobeend

Duidelijk een brede platte snavel. Mannetje heeft een vreemd hakkend keelgeluid als roep. Vrouwtje een duidelijke dubbele kwaak. Broedt vanaf april.

Zomertaling

Mannetjes hebben een paarsbruine kop met een opvallende oogboog. Vrouwtjes lijken op vrouwtjes wintertalingen, maar zijn groter en missen de witte streep op de staartzijde en hebben een gestreepte kop. Roep klinkt kikkerachtig. Vrouwtjes hebben een hoge kwaak.

Krakeend

Mannetjes hebben een bruine kop en een zwart achterlijf met lichtbruine staartpunt. De rest van het lichaam is grijs met fijne tekening. De vrouwtjes lijken sterk op die van de wilde eend. De witte spiegel, witte buik en oranje snavel onderscheiden de krakeendvrouwtjes. Broedperiode start relatief laat, vanaf mei/juni. Voorkeur voor grote wateren.

Bergeend

Van origine komt deze soort met name aan de kust voor, echter steeds vaker ook in het binnenland en daarmee in het weidelandschap. Met het oog makkelijk te onderscheiden van andere eenden. Roep kenmerkt zich tijdens de balts als een laag 'rra-rra-rra' of 'a-a-a-a'. Broedt van april t/m juni. Verschil tussen mannetjes en vrouwtjes zit hem in de knobbel op de snavel.

Tafeleend

Duikeend, die vooral in de winter en het voorjaar in NL is. Broedt tot juni in NL, mannetje trekt vaker al eerder weg. Houden zich vaak in grotere groepen op. Tegen de avond het meest actief.

Patrijs

Goed gecamoufleerd, bruin en grijs gestreept kleed, kastanjebruine strepen op de flanken en grijze borst. Keel en gezicht zijn oranjebruin en op de buik zit een grote donkerbruine vlek. Tijdens vlucht een roodachtige staart. Mannetje groept mechanisch tijdens balts. Ter grootte van een duif.

Kwartel

Zeer schuw. Ter grootte van een spreeuw. Zeer goed gecamoufleerd, donkerbruin met geelbruine strepen. Korte dikke poten en kort snaveltje. Mannetje heeft zwarte keel. Vooral in de schemering hoor je de mannetjes minutenlang 'kwwk... kwik-kwik'.

Kwartelkoning

Eveneens zeer verborgen. Vaak alleen op geluid. Arriveren pas laat in het seizoen, ongeveer in mei. Goed gecamoufleerd, rank postuur met lange nek. Roodbruine bovenvleugels, buik en borst zijn blauwgrijs. Mannetjes laten s'nachts het tweelettergrepige 'kreks-kreks' horen.

Purperreiger

Donkerder, iets kleiner, maar vooral slanker dan de bekende blauwe reiger. In vlucht duidelijk te herkennen aan uitgestoken poten met lange tenen. Moerasbewoner, waar ze in kolonies verblijven. Roep lijkt op blauwe reiger, maar minder zwaar en heser. Broedt van april tot juni.

Grote en kleine zilverreiger

Grote zilverreiger is herkenbaar aan gel snavel, kleine heeft een donkere snavel. De kleine komt weinig voor in de weidelanden, en meer in zoutwatermilieus zoals de Wadden en in Zeeland. Broeden van mei tot juni.