Vleermuisonderzoek met Natuurbureau Wonders

Vleermuizen zijn bijna niet meer weg te denken uit de stad. Op een zomerse avond zie je tijdens het invallen van de schemer talloze dwergvleermuizen rond de lantaarnpalen dartelen op zoek naar muggen en motten. Dwergvleermuizen (ruige en gewone dwergvleermuizen) zijn betwistbaar Nederlands meest voorkomende vleermuissoorten. Gedurende de menselijke urbanisering hebben ze zich aangepast om in door de mens gemaakte holtes te verblijven, om te schuilen, voort te planten en te overwinteren. Door hun afhankelijk van de mens voor hun verblijfplaatsen, zijn ze enorm kwetsbaar bij bijvoorbeeld renovaties, sloop en zelfs schilderwerkzaamheden.

Door die kwetsbaarheid, zijn ze project-ontwikkelend-Nederland meest gevreesde diertje. De soortgroep is vrij strikt beschermd in de huidige natuurwetgeving. Menige bouwplannen hebben vertraging opgelopen omdat er (mogelijk) vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Vleermuisonderzoek duurt al gauw 5 maanden, wanneer er vleermuizen worden aangetroffen duurt een ontheffingsprocedure vaak net zo lang. Dat is vertraging waar de meeste ondernemers niet op zitten te wachten. Op dit moment is daar niet op heen te komen, behalve dan op tijd te beginnen met ecologisch onderzoek. Het is voor mij als ecoloog met een hart voor natuur, soms vermoeiend om met partijen aan tafel te zitten die de ecologie ervaren als last. Ik begrijp het in vele gevallen ook niet, het natuurinclusief bouwen heeft een positieve werking op de

Vleermuissoorten hebben niet allemaal dezelfde voorkeuren qua huisvesting. Zo heb je typische gebouwbewonende soorten, en soorten die zich alleen in ‘natuurlijke verblijfplaatsen’ zoals boomholtes zullen vestigen. De meeste gebouwbewonende vleermuizen zijn oorspronkelijk grot- of spleetbewoners, daarom gebruiken ze dak- of gevelspleten die gelijksoortige eigenschappen hebben als die natuurlijke verblijfplaatsen. Meest voorkomende gebouwbewonende vleermuizen zijn gewone dwergvleermuizen, laatvliegers maar ook grijze grootoorvleermuizen maken gebruik van onze gebouwen. Boombewonende vleermuizen zoals de bechsteins vleermuis, mopsvleermuis, brandts vleermuis en rosse vleermuizen maken zoals de groepsnaam al duidelijk maakt, vooral gebruik van boomholtes. Bij boomholtes moet je niet alleen denken aan spechtenholen, maar stukken afstaande schors, ingerotte holtes in afgebroken takken en stamscheuren kunnen dienen als verblijfplaatsen. Bij visuele inspecties van bomen moet je dus goed op de hoogte zijn van ecologie van relevante vleermuissoorten. Bij mogelijke sloop- of renovatiewerkzaamheden is het dus van belang om te weten welke vleermuissoorten zich in een plangebied begeven, en op welke manier ze gebruik maken van het plangebied. In het stedelijk gebied komen tot zo’n 7 verschillende soorten voor, in halfnatuurlijke habitats neemt het soortenbestand tot zo’n 10 soorten toe en bijvoorbeeld in het Middellandse zeegebied kunnen lokaal tot zo’n 20 soorten vliegen. Determinatie van vleermuissoorten kan op een paar manieren, zichtwaarnemingen (met behulp van foto’s), vangen (wegen en meten), analyse van haren en/of poep en analyse van de echolocatiepulsen. Persoonlijk kan ik alleen echolocatiepulsen determineren. Om dit onderzoek te doen heb je een apparaat (batdetector) nodig om de echolocatiepulsen waarneembaar te maken voor onze oren. Mensen kunnen geluiden waarnemen tot 20 kHz, waardoor we de meeste vleermuissoorten niet kunnen waarnemen die geluiden kunnen maken tot 100 kHz. Door een batdetector (incl. opname apparaat) te gebruiken, maak je de echolocatiepulsen analyseerbaar. Vleermuizen hebben elk hun karakteristieke echolocatieroep, die we kunnen analyseren door er een sonogram van te maken, wat een frequentie-tijdsverloop is. In het veld kunnen we meestal deze sonogrammen niet visueel maken, dat doe je met bepaalde software op de pc.  Ik zeg meestal omdat er nu ook detectors zijn met een display. Echter kunnen we in het veld de soorten ook determineren zonder detector met display. Met de gangbare Pettersson d240x kun je ook de pulsfrequenties bepalen, samen met het ritme van pulsen en soms een zichtwaarneming (grootte, gedrag, vliegbeweging, vlieghoogte etc.) is het mogelijk om te bepalen om welke soort het gaat. Dit vergt natuurlijk wel enige ervaring. Het is wel van belang om opnames te blijven maken, ook om je velddeterminaties te controleren, daarnaast vragen opdrachtgevers vragen vaak om opnames.

Hierboven hoor je de echolocatiepulsen van een gewone dwergvleermuis, ook hoor je een melodieus ‘riedeltje’, en dat is een paarroep waarmee hij vrouwjes probeert te verleiden. De opname is 10x vertraagd, wat de determinatie vergemakkelijkt.

Vleermuisonderzoek voor bijvoorbeeld vergunningaanvragen zijn gebonden aan bepaalde richtlijnen. De richtlijn die op dit moment wordt gebruikt is gebundeld in het Vleermuisprotocol 2017, vreemd genoeg in een excelfile inderdaad. Hierin staat wanneer en hoe vaak je bepaalde bezoeken moet uitvoeren, voor je de aan- of afwezigheid van vleermuizen mag bepalen. Je kan natuurlijk 5 keer een plangebied hebben bezocht halverwege de middag, en op-pennen dat er geen vleermuizen in het plangebied bevinden. Tijdens een vergunningprocedure zal dit dan ook niet worden geaccepteerd, en moet het onderzoek opnieuw worden uitgevoerd met mogelijk (nog) meer vertraging tot gevolg. Het is dus zaak, net als bij elk ecologisch onderzoek, op tijd te beginnen en het onderzoek gedegen uit te voeren.

Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd in vleermuizen, ga dan een keer mee met een vleermuizenwandeling! Of haak een keer bij mij aan als ik onderzoek moet doen.

(Cover foto van vliegende p. pistrellus: ecopedia.eu; figuur met sonogrammen: S. Verkem)

Leave Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *